De Goutumer jaren van Kimsma

auteur: Jan Pieter Janzen
(1945 -2005)

“Hjoed is moarn al juster”

van

tot

Bron: Diggelfjoer Goutum
Auteur: Jan Pieter Janzen

Met de welvaart zijn ook de eisen die aan het wonen worden gesteld gestaag gestegen. En sterk aan mode en trends onderhevig geraakt. Maar wat er in de loop van de tijd ook veranderd mag zijn, de timmerman speelt nog steeds een hoofdrol bij het bevredigen van de woonbehoeften. En ondanks alle schaalvergroting is er nog altijd voldoende speelruimte voor de zelfstandige, ambachtelijk getinte bouwondernemer. Daarvan is Kimsma Bouwbedrijf, geboren en getogen in Goutum, een klassiek voorbeeld. Het begon allemaal vlak na de Tweede Wereldoorlog. In een andere tijd dus.

Na een verkering van ruim 8 maanden trouwde de Goutumer timmerman Willem Kimsma (30) op vrijdag 25 januari 1946 met de Leeuwarder kantoormedewerkster Antje Reinkingh (24). Ze deden dat in koetsjes. Het bruiloftsfeest werd gehouden in De Lytse Trije Romers, een van de drie herbergen die de Brédyk toen nog rijk was. Daarna was er meteen weer de praktijk van het harde naoorlogse leven van alledag.

Willem had net het timmer- en aannemersbedrijf van Jelle Kuindersma overgenomen, terwijl Antje in het huis dat de voormalige timmerbaas in 1920 had gebouwd, de huishouding op poten moest zetten. Dat viel nog niet mee. Ze had het huishouden thuis amper geleerd en moest na de drukte van de stad en het Frico-kantoor ook aan de stilte van het dorp wennen. Daar kwam bij dat het allemaal wel erg sober was: geen gas en ook geen waterleiding.

Toen de handpomp behalve water ook salamanders begon te leveren, kwam het stromend water er nog hetzelfde jaar. Net voor de geboorte van de kleine Theun, op 3 december, in de barre winter van 1946/47. Telefoon kregen ze ook, eerder zelfs dan sommige boeren, met als gevolg dat frou Kimsma ook functioneerde als meldpost voor de K.I. (kunstmatige inseminatie bij rundvee).

Willem Kimsma had het vak geleerd bij de firma Stienstra in Leeuwarden, waar hij in de jaren dertig als timmerknecht werkzaam was. Na de oorlog wilde hij voor zichzelf beginnen. Dat lukte toen hij, met financiële steun van schoonvader Reinkingh en dorpsgenoot Gerben Sinnema, het bedrijf aan de Buorren kon overnemen. Zijn BM’er moest hij er wel voor verkopen.

Begin 1946 ging Kimsma van start. Met zijn vijftien jaar oudere broer Theunis als rechter-hand. Een wat eigenzinnige vrijgezel, die niet voor baas in de wieg was gelegd, maar wel dien-de als onmisbare steun en toeverlaat. ‘Alde Theun’ fungeerde als voorman en uitvoerder van een ploeg die in de eerste jaren niet vaak groter was dan vijf man.

Timmerman-Aannemer Speciaal Onderhoudswerk liet de jonge ondernemer op zijn eerste briefpapier drukken. Kleine karweitjes typeerden de begintijd: Draaihek hersteld. Varkenstrog hersteld. Kruiwagen ger. Vat in elkaar gezet. Klompen gekramd. Schoorsteen geraagd. Schuur geraagd. Slot gerepareerd (in tweeëneenhalf uur, materiaalkosten 30 cent, loon ƒ 3,15 – ook toen al maakten de loonkosten het leeuwenaandeel van de rekening uit). Maar ook: Keurmeester hokje gemaakt (voor de Goutumer IJsclub). Nieuwe zijgevel en verbouwing arbei-ders woning.

En dan was er nog de winkel: spijkers (vijftien stuiver per kilo), zand en grind, dakpannen en hout in alle soorten en maten, twee paar klompen (van eigen fabrikaat, voor vijf gulden). Zo nu en dan kreeg Kimsma een paar rijksdaalders provisie voor het leveren van een lijkkist.

Willem Kimsma bouwde een min of meer vaste klantenkring op van zo’n honderd boeren, middenstanders en particulieren, voor het overgrote deel woonachtig in Goutum en Huizum. Slechts voor enkelen beliep de rekening meer dan honderd gulden. Maar al snel kwam er een klant bij die het bedrijf zou doen groeien als kool: de Provinciale Dienst Verbetering Friese Kanalen. Die was toen bezig met het Van Harinxma- en het Prinses Margrietkanaal, twee brede en diepe, gedeeltelijk nieuw gegraven vaarwegen die het Noorden open moesten leggen voor de grotere scheepvaart, inclusief coasters.

Kimsma kreeg zijn eerste karwei in mei 1946: het repareren van drie kruiwagens. Die werden gebruikt bij het graven van het nieuwe kanaalvak ten zuiden van Leeuwarden, dat het oude traject dwars door de stad verving. Daar moest dus ook een brug komen. Dat bracht brood op de plank in de vorm van “leveringen en werkzaamheden ten behoeve van de montage van de hulpbrug”.
Willem Kimsma mocht daarna een begroting presenteren voor het afbreken van de brug-wachterswoning bij Kingmatille (tussen Dronrijp en Franeker) en het herbouwen daarvan in Dronrijp. Hij kwam uit op ƒ 10.600, zeventig gulden lager dan de dienst zelf. Het contract telde eenentwintig dichtbetypte pagina’s. De startende ondernemer hield zich keurig aan de instructies, zodat nieuwe aantrekkelijke opdrachten volgden.

 

En zo stonden er rond 1950 wel twintig tot veertig mensen op de loonlijst, merendeels in tijdelijk dienstverband en afkomstig uit de omstreken van het werkobject. De actieradius was flink uitgebreid, de vaste arbeiders reisden toen dus heel wat af.

Daar kon Jogchum Veenstra, sinds 1948 bij Kimsma, over meepraten: “Moarns kaam ik op ’e fyts fan Burgum. Dan om seis oere mei de baas yn ’e âld Ford nei Terhenne, in kertierke farre en dan oan ’e slach. At it om it waar koe, makken wy dagen fan soms mear as tsien oeren. Tolf-trettjin oeren fan hûs wie dus frij normaal. Sneons wienen wy dan wol frij, omdat sokke lange reizen foar in heale dei net út koenen.”

De Kanalendienst bracht dus brood op de plank, maar was per definitie een tijdelijk fenomeen. In 1950 was het werk grotendeels voltooid: de kanalen waren, de dienstgebouwen opgeleverd. Kimsma moest op zoek naar ander werk.
Dat deed hij ook. Hij begon met het bouwen van twee boerderijen, een daarvan helemaal in Sandfirden, aan de Oudegaaster Brekken. Dat weet frou Kimsma nog maar al te goed: “It wie in hoop lijen. Der moast jild bij en it kaam yn 1952 sa fier dat emigratie ús in útkomst like. Wij soenen nei Vancouver ta. Dat gong net troch omdat bij de keuring bliek dat myn man it oan it hart hie.”

En zo maakte maakte Boubedriuw Kimsma vijf jaar na de start zowel zijn eerste hoogtepunt als zijn eerste crisis door. De zaak bleef bestaan, zij het in afgeslankte vorm, met nogal wat namen minder op de loonlijst. De werkzaamheden beperkten zich voornamelijk tot onderhoud en verbouw in Goutum en wijde omstreken met als uitschieter een enkele nieuwbouwproject.

In de late jaren vijftig had de Fa. W. Kimsma, timmer- en aannemingsbedrijf – machinale houtbewerking, hooguit zo’n tien man in het werk, van wie vier timmerlieden en een leerling-timmerman: Gjalt Loonstra, die meteen na de ambachtschool bij Kimsma begon om er de rest van zijn werkzame leven te blijven.

De ‘jonge’ Theun Kimsma is sinds 1963 actief in het familiebedrijf. Hij wilde op de ULO ‘net rjocht doge’ en belandde na een jaar op de ambachtsschool. De noodzakelijke diploma’s, zoals dat voor aannemer, moest hij in de avonduren halen. Volgens zijn moeder is het een geluk geweest dat hij meteen in de zaak is gekomen. Zelf vindt de latere baas dat hij er “yn wêzen te jong te djip” in is geraakt. “It wie yn dy tiid gauris krap; wy koenen de leveransiers pas har jild jaan at de klant betelle hie – en dat duorre wolris te lang.”

 

In het begin van de jaren zeventig werd de bouw- en woningmarkt gekenmerkt door te hoge en te snel stijgende bouw- en huurprijzen en sterk uitdijende en onherkenbaar veranderende dorpen.

Neem nou Goutum. Een boerendorp met van oudsher nooit meer dan zo’n driehonderd inwoners. Nog in 1965 “ kan de verkeersdeelnemer die op een zomerse dag enkele kilometers zuidelijk van Leeuwarden de drukke rijksweg verlaat om via de Wergasterweg in oostelijke richting te rijden, zich met een klein beetje fantasie voorstellen ineens heel ver van huis in een aantrekkelijke vreemde landstreek terechtgekomen te zijn”.  Aldus een lyrische verslaggever van Het Vrije Volk, een landelijk dagblad met een aparte Friese editie. Volgens hem presenteerde het oude terpdorpje zich veertig jaar geleden “vlak naast het jachtige rumoerige leven van stad en autoweg, als een oase van rust aan de bezoeker”. Een dorp kortom “waar al al vele eeuwen lang niets gebeurd is en waarschijnlijk in de in de eerstkomende eeuwen ook niets zal gebeuren”.

De (oude) Wiardaskoalle, in 1955 door Kimsma ingrijpend verbouwd, was nog “rustiek gelegen tegenover de ingang van de oude kerk” (nou ja, de ingang van de toren, het huidige parkeerterreintje). Ze had een tweekoppig team en ongeveer vijfenzestig leerlingen, die – uniek voor de gemeente Leeuwarden – de eerste twee jaar in het Fries werden opgevangen.
Veel groei viel er in het dorp niet te bespeuren. Na de oorlog waren er ruim dertig nieuwe woningen gebouwd en in 1965 was het inwonertal gestegen tot zo’n zeshonderdvijftig. Er waren wel (grote) uitbreidingsplannen, maar daar zag Dorpsbelang het nut niet zo van in: “Wij hebben eerder belang bij een goede riolering (de sloot langs de Goutumerweg moet dicht) dan bij meer woningen.” Ook een eigen kleuterschool stond op het verlanglijstje. Dat waren de roerige jaren zestig.

Nog geen tien jaar later werd ‘het oude terpdorpje’ in rap tempo getransformeerd tot een forensenplaats met ruim zeventienhonderd zielen. De losjes bebouwde kern met nog wat lintbebouwing her en der werd opgevuld met eigentijdse en dus blokvorminge nieuwbouwwijken, die alleen in hun naam nog de herinnering aan het plattelandsverleden bewaarden. In 1970 stonden er tweehonderdzestien woningen, tien jaar later tweeëneenhalf keer zoveel. Toen begonnen oude en vooral ook nieuwe inwoners bezwaar te maken tegen verdere uitbreiding. Het was mooi genoeg zo: liever nog een klein beetje dorp dan helemaal buitenwijk.

Veel van die nieuwe huizen heeft Boubedriuw Kimsma niet gebouwd. Vanaf de start heeft het immers voornamelijk geopereerd in de sector herstel en verbouw met slechts zo nu en dan een uitstapje naar de nieuwbouw. Zijn timmerlieden hebben dan ook heel wat muren doorgebroken, sanitaire voorzieningen verbeterd en verlaagde plafonds aangebracht (om soms later de balken weer bloot te moeten leggen).

De actieradius is in de afgelopen halve eeuw niet opvallend veranderd: de Leeuwarden en omstreken met uitschieters naar elders. Ook de klantenkring bleef vrij stabiel: boeren, middenstanders, particulieren en enkele grotere bedrijven en instellingen. Wel nam het aantal agrariërs geleidelijk aan iets af, terwijl ook ‘de man met de smalle beurs’ minder vaak een beroep deed op de professionele dienstverlening: het doe-het-zelven nam hand over hand toe. Het aantal klanten liep van zo’n honderd in de beginperiode op naar zo’n vierhonderd in 1990. Velen bleven de firma door de jaren heen trouw.
Het kleinere werk bleef overheersen, maar met een zekere regelmaat werden ook grotere projecten aangepakt: een boerderij, een fabriekshal, het dierenasiel, een serie royale bungalows. Soms bracht het ene werk het andere voort. Zo werd in de jaren zeventig een hele reeks tandartspraktijken grondig verbouwd. Later zouden de royaal gesubsidieerde stadsvernieuwing en renovatie volgen. Met de schaalvergroting van het bedrijf in de afgelopen jaren is ook het percentage nieuwbouw sterk toegenomen (tot ongeveer eenderde).

Een vrij vaste cliëntèle, dat wijst op tevredenheid bij de opdrachtgevers. Van hun kant zijn de werknemers over het algemeen ook goed te spreken over de klanten: “Wy ha in protte goeie klanten.”
Noait gjin klachten oer de fersoarging? “No ja, der binne guon dy’t krekt foar koffytiid fuortgeane of it bûtendoar serveare. En wy ha it wol meimakke dat de frou sei: ‘Wolle jim ek wat waarm drinken ha? Jou de flessen dan mar even, sil ik se even opwaarmje.’ Telefoankoffy komt ek wolris foar. Dan wurdt de man yn ’e hûs roppen mei ‘Der is telefoan hear.’ – dan kinne se even rêstich koffydrinke sûnder ús. Mar der binne genôch oaren: ‘Wat is it kâld net, sil ik even in kopke sop meitsje?’ of: ‘Timmerman, wanneer drinkt u koffie?’ Soks is wol moai fansels.”
Minder aardich fine de faklju klanten dy’t graach meihelpe wolle, ‘de zogenaamde aangevers’, of minsken dy’t har hyltyd op ’e fingers sjogge. “Dêr ha wy sa ús foefkes foar. Geane wy der ek even bij stean om in praatsje te meitsjen. Of wy heisterje wat ekstra lang mei in grutte balke om, sadat se wol merke moatte dat se yn ’t paad steane. Klanten dy’t it better witte, dat binne miskyn noch wol de minsten. Se meie heus wol sizze hoe’t se it ha wolle, mar de útwurking moatte se dan oan ús oerlitte. Mar ja, bij guon kinst it noait goed dwaan.”
Fatsoenlik bliuwe en je klantvriendelijk opstelle, dat sprekt foar de mannen fan Kimsma fansels. Guon klanten freegje ek wol om in bepaalde meiwurker. En sa ha guon sa’n bytsje har eigen rûntsje.

 

In een conjuctuurgevoelige bedrijfstak als de bouw leidt elke economische recessie onvermijdelijk tot stagnatie en werkloosheid. Vooral die van de late jaren zeventig was rampzalig, zeker in Friesland. Rond 1980 was een van de vier werklozen hier een bouwvakker.
In deze periode van economische neergang overleed op 7 maart 1980 Willem Kimsma, vierenzestig jaar oud, aan de kwaal die zich dertig jaar eerder, ten tijde van de emigratieplannen, had geopenbaard: het hart. Zijn vrouw bleef alleen achter in de pas voltooide, royale rentenierswoning. Een laatste bewijs van zijn vakmanschap, naar eigen ontwerp en deels eigenhandig gebouwd, gelegen naast de grote loods die in 1973 bij de zaak was getrokken.
Zoon Theun stond meteen voor een krachtproef: “Oant ’85 ta ha wy minne jierren hân, dêrnei gong it in stik better.” Het bedrijf bleek bij de opvolger in goede handen. Die had natuurlijk ook al de nodige ervaring opgedaan. Niet alleen als medewerker, maar ook als mede-firmant.
De samenwerking tussen vader en zoon verliep redelijk tot goed. Anders hadden ze het geen zeventien jaar volgehouden. Door het leeftijdsverschil en door verschillen in aanleg, ka-akter en opvatting over de bedrijfsvoering ging het echter niet altijd van een leien dakje. “Ik bin wolris mei piipjende bânen it hiem ôf riden”, vertelt Theun, die met nieuwe initiatieven veel nieuwe klanten aan het bedrijf heeft kunnen binden. – Zoon Theun was de zakenman, vader Willem de vakman.
De werknemers hebben meer eigen verantwoordelijkheid gekregen en meer vrijheid. En daar zijn ze blij mee: “Elkenien moat him no sels mear rêde. De baas komt minder op it wurk. Wij moatte de kosten ek yn ’e gaten hâlde. Der is fansels wol ruggespraak, mar wy ha in grutte eigen ynbring.”

Bouwbedrijf Kimsma past keurig in het beeld dat in de literatuur over de ondernemer in de bouw wordt geschetst. Het heeft de kenmerken van een familiebedrijf, waarin ook de vrouw van de baas een niet onbelangrijke rol speelt – daar weet Anneke Kimsma over mee te praten. De vader is opgevolgd door de zoon, die op zijn beurt weer heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe generatie.

2004

De leiding is nu in handen van Wim Kimsma (31), die eind jaren negentig na zijn MTS-opleiding bij de zaak kwam en er al snel zijn stempel op zette: een bredere aanpak met grotere projecten, schaalvergroting en investeringen. En een royaal planbord, om te beginnen.
In 2000 werd collega Vierstra in Franeker overgenomen. Drie jaar later werd na ampele overwegingen de knoop doorgehakt: Bouwbedrijf Kimsma was te groot geworden voor de Goutumer dorpskom en verhuisde naar industrieterrein Schenkeschans, al houdt het in het dorp wel een voet aan de grond: je kunt er nog steeds terecht op het bijkantoor; de uitvoering en de planning zitten nu in Leeuwarden.

Momenteel heeft het bedrijf ruim vijftig personeelsleden: drieënveertig in de bouw en tien op kantoor. Een van hen is sinds vorig jaar zoon Eelco (29), die na zijn HEAO-opleiding el-ders ervaring opdeed in de commerciële dienstverlening en nu het financiële gedeelte voor zijn rekening neemt: “Wim sit meast bûten, ik binnen.” Vader Theun (56) fungeert als adviseur.
En zo gaat Bouwbedrijf Kimsma met hernieuwd elan de toekomst tegemoet. Geen last van de recessie? “Nee,” zegt Eelco, “we merke it wol, mar ha der gelokkich net safolle lêst fan. Foar de klanten hat it wol it foardiel dat de wachttiid wat koarter is.”
Elk nadeel heeft dus ook hier zijn voordeel. Of, zoals grootvader Willem Kimsma op gepaste momenten relativerenderwijs placht op te merken: Hjoed is moarn al juster.

Jan Pieter Janzen 

 

Pin It on Pinterest